Hela Hola



Haarlemse Honkbalweek 1984. Thijs Vervaat aan slag. De outfielder van Oranje neemt zijn karakteristieke lage houding aan en zakt ver door zijn knieën. Op de tribune achter het derde honk zet Hein Fischer vlug een hoge zwarte hoed op en veert omhoog. Als vanzelf begint het publiek de keel te smeren: aaaaaaaaaaaaaaa. Fischer wacht even en zwiept dan zijn arm van links naar rechts. Stil. Nu zet hij een pylon op zijn mond. Tijd om te gaan zingen.

Fischer: ‘beneden bij de thuisplaat’… 
Publiek: ‘beneden bij de thuisplaat’…
Fischer: ‘daar heb je Thijs Verva-haat’… 
Publiek: ‘daar heb je Thijs Verva-haat… 
Fischer: ‘we wachten nu al jaren’… 
Publiek: ‘we wachten nu al jaren’… 
Fischer: ‘tot ie door zijn kruis heen gaat!’… 
Publiek: ‘tot ie door zijn kruis heen gaat!’ 
Publiek: ‘En van je hela-hela-hela-holala…hé!’

In die jaren waren de liedjes van ‘het derde honk’ een begrip in de honkbalwereld. Bij ieder groot toernooi in het Pim Mulierstadion verbleven Hein en zijn vrienden op hun vaste plaats op de tribune en bedachten scherpe rijmpjes om de boel wat op leuken. “Ik was in 1978 voor het eerst bij de Honkbalweek. Toen zat ik samen met nog een paar jongens achter de thuisplaat”, vertelt Fischer. “Het was al gelijk zingen en gek doen. Later zijn we met een ploegje zo’n beetje richting het derde honk gegaan. Een vriend van mij kwam met het liedje ‘Daar hoog in de bergen’, weet je wel. Dat werkte goed en dus begonnen we allerlei variaties op de tekst te bedenken.”

Het duurde niet lang of steeds meer mensen in het stadion begonnen mee te zingen. Toen kwamen de hoed en de pylon in beeld. “Via de vrijwillige politie kon ik aan een pylon komen. Sommigen zeiden Hein, je moet een megafoon hebben. Maar dat vond ik niks. Dan krijg je zo’n elektronisch geluid. Ik heb een aardig groot bereik met mijn stem en met dat oranje ding kwam ik een heel eind. Die hoed werkte op een andere manier goed. Zodra ik hem opzette begonnen toeschouwers gelijk met stemmen. Ging het hele stadion: aaaaaaaaaaa.” 

Niet iedereen deed mee overigens. “Je had zo’n vak met genodigden bij het eerste honk. Die zongen zelden. Maar dan ging ik daar even heen om met ze te stemmen. Dat hele stadion zien mee te krijgen. Dat was de bedoeling.” 

Eerst schreven Hein en zijn groepje zelf alle teksten, maar de rest van de supporters dachten graag mee. “Kreeg ik een briefje van de andere kant van het stadion. Hadden ze op een papiertje een tekst geschreven en doorgegeven. Op het velletje stond voor de zekerheid een poppetje met een hoge hoed getekend zodat iedereen wist waar het briefje naar toe moest. Als iemand het halverwege open wilde vouwen stond er ook nog op: ‘jij bent Hein niet, doorsturen’. Dat werd halverwege nooit verscheurd. En nou ja, dat ging rollen. Kreeg je ineens liedjes uit alle hoeken van het stadion.”

“Op een gegeven moment had ik een jury samengesteld, want ik had geen tijd om het allemaal na te kijken. Voorwaarde was dat het ergens over moest gaan natuurlijk. Het honkbalpubliek was toch wel kritisch. Er werden een hoop afgekeurd. Of de tekst sloeg nergens op, of de rijm klopte niet. Het moest wel een a-b, hoe zeg je dat, euh… a-b-c-b rijmschema hebben. Zodra er eentje door de keuring kwam riep de jury: ‘Hein, deze kan de lucht in’. Soms konden we niet wachten, dan schreef ik ze gewoon zelf. Per wedstrijd gingen er zeker zo’n tien van die liedjes doorheen.”

“Schunnige werden altijd afgekeurd. Scherp en grappig mocht, maar het moest wel beschaafd blijven, want wij zeiden altijd, luister eens, we zijn geen voetbalpubliek.”

“Maar ik zal je vertellen, er waren ook een hoop honkballers bij het Nederlands team die het eigenlijk niet leuk vonden hoor. Die raakten daar gestrest van. Marcel Joost nooit overigens. Die leunde rustig op zijn knuppel en wachtte met slaan tot we uitgezongen waren. We gingen met die jongens ook gewoon op stap na de wedstrijd. Of ze kwamen allemaal bij ons op het derde honk zitten en een biertje drinken. Dat was supergezellig.”

Intussen werd Hein zelf ongewild ook steeds populairder. “In de jaren tachtig werd het een gekkenhuis. Toen kon ik amper nog zitten. Je had voor ons zo’n looppad en dat zat helemaal vol met mensen. Zaten ze alleen maar naar mij te staren. Dan zei ik: ‘daar is de wedstrijd hoor’. Keken ze even naar het veld en daarna mij weer met open mond aangapen. Het werd een soort van apies kijken.” 

De media dook ook op het fenomeen ‘het derde honk’. “Dat werd steeds gekker joh. Veronica Sport, de radio, het Half Zes Journaal met Maartje van Weegen. Op een gegeven moment kwam Mart Smeets naar mij toe met de vraag of ik een liedje klaar had, want je bent over twee minuten in de uitzending. Zat ik tussen de Tour de France en de Grand Prix van Engeland in één keer live in Studio Sport.”

Wat begon als een geintje werd groter dan Fischer had kunnen denken. “Er is zelfs nog een keer een massapsycholoog langs geweest. Kwam hij een wedstrijd observeren. In die tijd had je natuurlijk ook voetbalhooligans en de Honkbalweek was precies het tegenovergestelde. De sfeer was altijd gezellig zonder narigheid.”

Sommige mensen probeerden een slaatje te slaan uit de liedjes. “Heineken was sponsor en ik had voor de grap een paar regeltjes gezongen. Ik weet de tekst niet meer, maar de laatste regel eindigde op dat wij eigenlijk wel een biertje van Heineken hadden verdiend. Stonden de volgende dag gelijk twee biermanagers in het stadion die daar wel een reclame van wilden maken. Ik nam dat niet serieus. Allemaal gelul.” 

Maar de populariteit kon ook benauwd worden. “Er had een keer iemand een epilepsieaanval aan de achterkant van het stadion. Die sloeg met zijn hoofd tegen een lichtmast aan. Kwamen mensen mij halen om die man weg te halen. Toen ging het echt te ver. Dat vond ik een beetje eng eerlijk gezegd.”

Voor Hein was het na de jaren tachtig mooi geweest met het derde honk. “Ik werd vader en had ik er geen tijd meer voor, want ik moest voor mijn dochter zorgen. Ik ben daarna echt een paar jaar niet meer geweest.” Het derde honk veranderde zonder Hein. “Andere mensen hebben nog wel iets met zingen geprobeerd en ik bedoel het niet lullig hoor, maar het werd nooit meer zoals het was.” 

Inmiddels zit Hein al lang weer gewoon op het derde honk. “Maar nooit meer met die hoge hoed. Die glorietijd is wel geweest.” Spijt dat hij zo abrupt was gestopt heeft hij nooit gehad. Het was goed zo. Zo af en toe werd er nog wel aan hem getrokken, maar hij hield alles af. Zoals in 1995 toen Haarlem 750 jaar bestond. “Andre Rieu zou optreden, of ik het publiek op de Grote Markt even wilde opwarmen. Ik zei direct dat doe ik niet meer. Achteraf toch wel jammer. Dat had natuurlijk wel gaaf geweest als je heel Haarlem had laten walsen in die tijd. Daar heb ik te snel nee op gezegd.”

Gepubliceerd in Fastball Magazine 8 (december 2020)
Tekst © honkbalopzolder
Foto: Matthijs Rouw
(Cuba wint Honkbalweek Haarlem 2012)